Op 15 september 2008 viel het doek definitief voor Lehman Brothers. Het luidde de grootste financiële crisis sinds de jaren dertig in. Met veel ongeloof werd er door de financiële wereld gekeken naar het failliet gaan van een grote bank. Weken ervoor werden twee grote hypotheekbanken, Fannie Mae en Freddie Mac, wel nog ‘gered’ door de overheid. Maar nu werd besloten niet in te grijpen. Het werd de markt langzaamaan duidelijk hoe erg de situatie was. Wat voor de val van Lehman nog kredietcrisis heette werd al snel een veel groter omvattende financiële en economische crisis. Niet alleen andere banken kwamen in de problemen, ook overheden die eerder met flinke sommen geld het systeem probeerden overeind te houden kwamen diep in de problemen. U herinnert zich vast nog de problemen van IJsland, Griekenland, Ierland en later ook Spanje, Portugal en Italië.

Wat is er nu veranderd? Natuurlijk zijn er veel veranderingen doorgevoerd sinds de crisis. De buffers die banken moeten aanhouden zijn fors toegenomen, maar toch zagen we de laatste jaren voorbeelden dat de markt zich  afvroeg of deze nu wel voldoende zijn. Denk daarbij aan de problemen van Deutsche Bank, maar onlangs ook de problemen van Italiaanse en Turkse banken. Er zijn ook mensen die het probleem minder bij de banken zien maar bij de overheden. Daar is een enorme berg schuld opgebouwd de afgelopen jaren. Dankzij het nog altijd zeer ruime monetaire beleid van veel centrale banken blijft de rente laag en hebben we vooralsnog weinig last van de schuldenberg. Nu moeten de centrale banken er alleen nog in slagen de rente langzaam en gecontroleerd te laten stijgen om een nieuwe crisis te voorkomen.